vorm

tegenwoordige tijd

verleden tijd

bevestigend

I/you/we/they have to
he/she/it has to

bevestigend

I/you/he/she/it/we/they had to

ontkennend (+ NOT)

I/you/we/they don’t have to
he/she/it doesn’t have to

ontkennend (+ NOT)

I/you/he/she/it/we/they didn’t have to

vragend (+?)

Do I/you/we/they have to?
Does he/she/it have to?

vragend (+?)

Did I/you/he/she/it/we/they have to?

uitleg verschil must en have to

  • must drukt uit wat de spreker vindt dat moet gebeuren (internal obligation). (I must go home now. You must go home now.)
  • has to/ have to drukt uit dat er een regel is waaraan je je moet houden of dat je iets van een ander moet doen (external obligation). (We have to wear a school uniform at this school. My mother said I had to be home at ten.)
  • mustn’t drukt een verbod uit. (You mustn’t park here.)
  • doesn’t have to /don’t have to drukt uit dat je iets niet hoeft te doen. (You don’t have to apologize.)

oefeningen

to have to

  • oefening 1: invuloefening met has to en have to
  • oefening 2: multiple choice oefening met has to en have to
  • oefening 3: invuloefening met doesn’t have to en don’t have to
  • oefening 4: multiple choice oefening met have to, has to, don’t have to en doesn’t have to
  • oefening 5: multiple choice oefening met have to, has to, don’t have to en doesn’t have to
  • oefening 6: invuloefening met have to, has to, don’t have to en doesn’t have to
  • oefening 7: invuloefening met have to, has to, don’t have to en doesn’t have to

het verschil tussen to have to and must

  • oefening 1: invuloefening met vormen van to have to en must
  • oefening 2: verschillende oefeningen met vormen van to have to en must
  • oefening 3: multiple choice oefening met vormen van to have to en must
  • oefening 4: kies tussen don’t have to en mustn’t 
  • oefening 5: kies tussen don’t have to en mustn’t 
  • oefening 6: invuloefening met don’t have to en mustn’t 
  • oefening 7: invuloefening met to have to en must
  • oefening 8: invuloefening met to have to en must

nuttige pagina’s

  • oefeningen met modaliteiten: in staat zijn, toestemming, waarschijnlijkheid, logische gevolgtrekking, noodzakelijkheid, verzoek en verplichting